Het suikergehalte in het bloed, de bloedsuikerspiegel, verandert voortdurend: na het voeren stijgt hij, terwijl hij tijdens inspanning daalt omdat bijvoorbeeld spiercellen glucose gebruiken om energie te produceren.
Omdat zowel de hersenen als de rode bloedcellen hun energie uitsluitend uit glucose halen, moet worden voorkomen dat de bloedsuikerspiegel te laag of te hoog wordt. Verschillende regelmechanismen in het lichaam zorgen er daarom voor dat de bloedsuikerspiegel zo constant mogelijk blijft.